Wereldverbeteraars

IMAG1331

Af en toe bekruipt mij een verdrietig gevoel als ik in sneltreinvaart de open aarde in mijn woonomgeving zie verdwijnen. Op verschillende plaatsen verrijzen in en rond Langedijk nieuwe woonwijken. Waar ik eerst hazen zag rennen, staan nu jarendertigwoningen en rijen namaakarbeidershuisjes. En het eerste dat de nieuwe bewoners doen is hun tuin voor en achter van zoveel mogelijk bestrating voorzien. Wat voor waarde heeft die natuurvriendelijke postzegel van mij in ’s hemelsnaam als de rest van mijn omgeving zo versteent? En is dat eigenlijk niet volstrekt onbelangrijk gezien al het leed in de wereld, de armoede, honger, mishandelingen en oorlogen? Toen ik nog een twintiger was kon ik mezelf met dit soort redenaties behoorlijk in de put werken. Uiteindelijk is de meest natuur- en milieuvriendelijke optie voor een mens om er niet te zijn, een zero-footprint met alle ruimte voor de natuur. Maar ik ben er nu eenmaal, en hoop ook nog even te mogen blijven.

Afgelopen week las ik een boek dat me wat meer inzicht gaf in hoe je je als mens kunt verhouden tot het leed op onze planeet. In ‘Wereldverbeteraars’ verkent filosofe Larissa MacFarquhar het verschijnsel altruïsme. Ze beschrijft daarin tot in detail de levens en overwegingen van een aantal mensen die extreem ver gaan in het zichzelf wegcijferen voor anderen. Die bewust in armoede leven omdat anderen dat ook moeten, die twintig kinderen adopteren omdat iemand toch  voor ze moet zorgen, die hun hele leven wijden aan het verbeteren van de leefomstandigheden in een leprozenkolonie in India, of jarenlang in het oerwoud leven om medische zorg te verlenen aan daar levende stammen. Wat me vooral opviel is de worsteling die ook deze mensen hebben met de vraag of ze wel genoeg doen. Terwijl ze in mijn ogen hun hele leven opofferen voor het goede doel. Kennelijk is dat dus ook geen oplossing om van zorgen en schuldgevoelens over de toestand van mens en planeet af te komen. Honderd procent consequent en correct willen zijn blijkt vooral heel vermoeiend en in de praktijk vrijwel onmogelijk, terwijl de mensen dichtbij, zoals partner en kinderen, er soms zelfs onder lijden.

Dit inzicht maakt dat ik meer vrede kan hebben met mijn eigen geschipper tussen doen wat ik graag wil en laten wat uit oogpunt van milieu of natuur eigenlijk niet goed is. Dus geef ik de natuur in mijn tuin de vrije hand, maar trek ik toch die planten eruit die al te opdringerig zijn. Maai ik om de mierennesten in het grasveld heen, maar geef ik voor de lieve vrede manlief toestemming om de mieren die de keuken in willen marcheren te bestrijden. Reis ik zoveel mogelijk met trein en bus, maar neem ik toch de auto naar de stad omdat de bus zo weinig gaat en enorm omrijdt. Eet ik vegetarisch, maar doe ik niet moeilijk over niet-vegetarische kaas op een gekocht broodje op het station. Het geeft ook meer ruimte in mijn hoofd voor begrip voor mensen die hun keuzes anders maken. Al blijf ik natuurlijk hopen dat een deel van die stenen uiteindelijk plaatsmaakt voor planten. En dat het aantal vegetariërs blijft stijgen. En dat het geld dat ik geef aan goede doelen toch op een of andere manier iets uitmaakt. Heel veel druppels op een gloeiende plaat moeten hem uiteindelijk wel een keer doen afkoelen toch? Tenzij iemand anders hem blijft verhitten natuurlijk. Kijk, daar ga ik weer. Ik ga de tuin in, naar de plantjes kijken.

Maart en zijn staart

Het is raar maar waar, maar in maart krijg ik altijd net als de vogels nesteldrang. Het huis moet gepoetst en opgeruimd en de tuin roept zo hard dat ik het niet meer kan weerstaan. Gelukkig heb ik een stuk of tien enorme pollen Miscanthus in de tuin staan, waar ik altijd wel een tijdje zoet mee ben. Dan kan ik toch in de tuin werken zonder dat ik het overal nog verstopt zittende leven verstoor. Want over de jaren heen is wel gebleken dat er in maart rare dingen kunnen gebeuren met het weer. Zo zag mijn tuin eruit op 2 maart 2005:

IMG_1821

Dit jaar is er geen sneeuw te zien. Wel prachtige ochtendluchten. Het feest in de bollenwei is alweer in volle gang met de narcissen en krokussen. Ook het speenkruid bloeit alweer. De winter is zo mild geweest dat de struikkamperfoelie niet eens al haar blad heeft laten vallen. De kleine witte bloemetjes geuren al vanaf december. Als de temperaturen even willen oplopen valt hier in ieder geval al wat te eten te halen voor hommels en bijen.

Collage maart in de tuin

 

Relativeren

Deze zomer was ik tijdens mijn vakantie een paar dagen in Lyme Regis aan de Engelse zuidkust. Dat deel van de kust behoort tot de zogenaamde ‘Jurassic Coast’ en is werelderfgoed. Op de stranden langs de hoge kliffen worden heel veel fossielen gevonden uit het Trias, Jura en Krijt (250 tot 65 miljoen jaar geleden). De kliffen brokkelen ieder jaar een stukje verder af, zodat er iedere keer een nieuwe voorraad aan het licht komt. In de fossielenwinkeltjes in het dorp worden de vondsten netjes schoongemaakt en geprepareerd voor de verkoop. In één zo’n winkeltje zag ik aan de wand een groot fossiel skelet hangen van een plesiosaurus. De verkoper verzekerde mij dat hij ‘thuis nog veel mooiere had, met kop en al. Die paste er hier niet bij’. Op het strand hier geldt: wat je vindt, mag je houden. Hoe cool is dat, je eigen plesiosaurus! Op een woensdagochtend ging ik zelf ook met een groepje andere geïnteresseerde toeristen onder leiding van een fossielengids Monmouth Beach op. Ik vond zowaar enkele afdrukken van ammonieten. Weliswaar geen indrukwekkende dino, maar toch: 200 miljoen jaar oud.

ammonieten

De leeftijd van fossielen is iets dat ik altijd moeilijk vind om me voor te stellen. Onze gids had een mooie manier om de leeftijd van de aarde en van de mens als soort uit te leggen. Hij spreidde zijn armen naar twee kanten uit. Als de geboorte van de aarde bij het puntje van de middelvinger van zijn linkerarm plaatsvond, dan ontstond de mens zo’n beetje bij de nagel van de middelvinger van zijn rechterarm. In het Rijksmuseum van oudheden in Leiden zag ik dit weekend ook een heel leuke visualisatie van de lengte van de verschillende tijdsperioden op aarde.

tijdlint oudheidkundig museum Leiden 1 tijdlint oudheidkundig museum Leiden 2

In een klein boekje uit 1980 dat wij in het natuurmuseum Westflinge hebben liggen (De aarde en de gesteenten, van J.K.Reek) , wordt het leven van Moeder Aarde beschreven als dat van een 46 jaar oude dame, waarbij ieder jaar staat voor een ‘supereeuw’ van 100 miljoen jaar.  De eerste tekenen van leven op aarde ontstonden dan pas vanaf haar 40ste verjaardag. De eerste bloeiende planten en dinosaurussen verschenen toen ze 45 was. Het uitsterven van de dinosaurussen vond op deze tijdschaal 8 maanden geleden plaats, het verschijnen van de eerste mensen 10 dagen geleden en de industriële revolutie 1 minuut geleden. Dat zet de dingen waar ik me gewoonlijk druk over maak wel even in een heel ander perspectief. Misschien zijn wij mensen over lange tijd ook maar een heel dun laagje fossielen in de dikke aardkorst, waar weer allerlei andere lagen overheen gevormd zijn. En toch:  als er iets met onze geliefden gebeurt, valt er niets te relativeren. Dan staat de tijd stil en krimpt de wereld in tot dat ene kleine puntje dat er echt toe doet.

Verrassing

In de winter werk ik nauwelijks in de tuin. Overal zitten kleine beestjes verstopt en die wil ik niet storen. Maar vanmiddag had ik zin om even buiten te prutsen. Een beetje paden opruimen kan geen kwaad toch? Maar ja, van het een komt vaak het ander. En voor ik het wist stond ik in de border achter omgewaaide kaardebollen te stutten (voor de puttertjes) en een wirwar van omgevallen ruit af te knippen. Nou vooruit, het polletje siergras ook vast eraf, daar ben ik steevast te laat mee en dan loopt het alweer uit als ik het afknip. Oh, even dat plukje bladeren uit het midden van de plant halen, anders komt daar zo’n kale plek. Oeps! Grijp ik zo in een egeltje!
Snel de bladeren er weer op.
En nu?
Het is wel een heel dun laagje bladeren zeg.
Als het deze week gaat vriezen is het vast niet genoeg.
Misschien heeft hij zich wel vergist, is het nog een onervaren egeltje, met te weinig blaadjes voorhanden.
Afijn, eind van het verhaal is dat ik de rest van de middag bezig ben geweest om elders uit de tuin gras te knippen (goed gecheckt op egeltjes) en daarmee een soort dakje boven het egelbedje te maken. Als het dan gaat vriezen, dan koelt het minder af. Ik durf niks extra op het egeltje zelf te leggen.
Zie hier het resultaat. Nu maar hopen dat het werkt.

Egelwinterhutje

Egelwinterhutje

De sentimentele tuinier

Er schijnen Boeddhistische monniken te zijn die zo strikt zijn in het naleven van het gebod ‘gij zult niet doden’, dat ze tijdens het lopen met een klein bezempje insecten en andere kleine beestjes die voor hun voeten lopen opzij vegen. Als ik in de tuin werk, voel ik me ook wel geroepen om spinnetjes, slakken en regenwormen te redden, maar ik merk dat ik toch ergens een grens moet trekken wil ik nog wat voor elkaar kunnen krijgen. Zo takelde ik afgelopen zondag het net tegen bladeren uit de vijver (ja, nu pas, ik weet het ..) en wel verdraaid, het stikt nog van het leven tussen het blad en de waterplanten. Massa’s zoetwaterpissebedjes kwamen er mee, naast een stel bloedzuigers. Ik laat het spul maar even op de kant liggen, in de hoop dat ze dan zelf de weg naar het water wel weer vinden. Het is onbegonnen werk om ze er allemaal tussenuit te peuteren. Maar een beetje wroeging voel ik wel.

Ik heb de pissebedjes nog even gegoogled (http://nl.wikipedia.org/wiki/Waterezeltje ). Dat levert weer allerlei leuke weetjes op. Bijvoorbeeld dat het mannetje zich voor de paring tot wel drie dagen op de rug van het vrouwtje laat meedragen (onder het motto de aanhouder wint wellicht). De vrouwtjes hebben een broedbuidel, waarin ze de eitjes door het eerste kwetsbare stadium heen helpen. Schattig toch? Nu is het nog erger dat ik ze eruit heb gevist.

Het hart van alle dingen

Op het gebied van romans vind ik niks leuker dan een boek toegestopt krijgen van een vriendin of familielid met de boodschap “Die moet je lezen!”. Zo kwam ook ‘Het hart van alle dingen’ van Elizabeth Gilbert op mijn pad. Voor mij is de heldin van het verhaal, Alma Whittaker, heel herkenbaar met haar liefde voor het observeren van de natuur en haar dringende behoefte om te begrijpen hoe die natuur werkt. Al beschik ik niet zoals zij over het ijzeren doorzettingsvermogen en eindeloze geduld om me te specialiseren in één aspect van de natuur. Want als je iets écht wilt weten, ontkom je daar niet aan.

Terwijl Alma opgroeit in een omgeving waar voortdurend gevaarlijke reizen worden ondernomen om bijzondere planten van over de hele wereld te verzamelen, concentreert zij zich op de bescheiden mossen in haar eigen omgeving. Jarenlang volgt ze de ontwikkeling van de mossenvegetatie op een aantal keien op het landgoed waar ze woont. Ze registreert de traag (volgens ‘mossentijd’)  veranderende groeipatronen en de centimeters winst en verlies van de ene soort ten opzichte van de andere. Later in haar leven ontwikkelt ze op basis van die kleine wereld een evolutietheorie voor de totale natuur, die ze nooit publiceert omdat ze hem niet helemaal ‘rond’ krijgt.

Het verhaal over Alma is wel prachtig rond, beginnend bij haar jeugd en de relatie met haar zus en vader, daarna haar grote liefde voor het wetenschappelijk onderzoek en een buitengewone man, vervolgens haar reis naar Tahiti en uiteindelijk haar oude dag in Amsterdam, waar ze bij de Hortus botanicus werkt. Dat het een historische roman is, waarvan je ook nog veel opsteekt over de tijd waarin Alma leeft (ze wordt geboren in 1800), is voor mij altijd een mooie bonus. De rijke, toegankelijke en meeslepende schrijfstijl van Elizabeth Gilbert maakt dat de 558 pagina’s die het boek dik is door mij in no time verslonden waren.

Redding van de moerbei

Moerbei in de touwen

Moerbei in de touwen

Zo hebben wij afgelopen maandag onze moerbei overeind gehouden, met de slackline (een soort balanceerband) van onze dochter. We zagen de grond aan de wortels vervaarlijk omhoog komen. Halverwege de dag kwam de hovenier langs bij de buren, die heeft nog een extra reddingstouwtje erbij gespannen.  Hij heeft het gered, maar de boom staat nu wel een stuk schever dan eerst. Maar hopen dat het 20 jaar duurt voor er weer zo’n storm komt!